Sociaal
recht > Arbeidsongevallen (p2)
B. BLIJVENDE ARBEIDSONGESCHIKTHEID
1. ConsolidatieDe blijvende arbeidsongeschiktheid neemt een aanvang vanaf de datum van consolidatie. De beste omschrijving van het begrip "consolidatie" vindt men terug bij DELHUVENNE : "de consolidatie is het veelal theoretisch en kunstmatig bepaald ogenblik waarop de gunstige vooruitzichten op genezing of ernstige verbetering van de arbeidsongeschiktheid opgeheven worden en de partijen achten dat -onder voorbehoud van herziening - het verlies van de arbeidsongeschiktheid gestabiliseerd is". De consolidatiedatum valt niet noodzakelijk samen met de werkhervatting of met het einde van de geneeskundige behandeling. Het behoort ook tot de taak van de verzekeringsraadsgeneesheren in de particuliere sector of van de bevoegde geneeskundige dienst in de publieke sector uitspraak te doen over de datum waarop de letsels geconsolideerd zijn. In geval van conflict -en derhalve dikwijls vele jaren later- zal de door de rechtbank aangewezen medisch deskundige ook zijn visie moeten geven omtrent de "consolidatiedatum". Het belang van deze consolidatiedatum spreekt voor zich. De jaarlijkse vergoedingen of renten wegens blijvende arbeidsongeschiktheid zijn immers verschuldigd vanaf de eerste dag van de maand tijdens dewelke de consolidatie plaatsvindt. Aangezien de herziening geen terugwerking heeft tot vóór de aanvraag tot herziening, vloeit hieruit voort dat het slachtoffer elke betaling in rente, gedaan tussen de datum van de consolidatie en de herzieningsaanvraag, definitief verkregen heeft. 2. Onderscheid tussen de gehele en de gedeeltelijke blijvende arbeidsongeschiktheidMen heeft te maken met een algehele blijvende arbeidsongeschiktheid, wanneer het slachtoffer in de onmogelijkheid verkeert om zich door middel van zijn arbeid nog regelmatige inkomsten te verschaffen, ook al vertoont de betrokkene nog een zekere lichamelijke geschiktheid. Er is sprake van een gedeeltelijke blijvende arbeidsongeschiktheid, indien de getroffene -niettegenstaande de gevolgen van het arbeidsongeval - nog over een zeker concurrentievermogen op de algemene arbeidsmarkt beschikt en in staat is nog regelmatig -zij het in verminderde mate- bezoldigde arbeid te verrichten. 3. Welke schade moet worden geëvalueerd ?De wetgeving betreffende de arbeidsongevallen omvat een limitatieve opsomming van de verschillende schadeposten die voor schadeloosstelling in aanmerking komen. Doorgaans worden die vergoedingen op forfaitaire basis berekend. Voor zover door het arbeidsongeval schade werd toegebracht aan de goederen van de getroffene, zal het slachtoffer zich niet kunnen beroepen op de arbeidsongevallenregeling met het oog op het bekomen van een vergoeding. Wel blijft de mogelijkheid open voor het instellen van een burgerlijke aansprakelijkheidsvordering op basis van het gemeen recht. - De morele schade blijft alleszins onvergoed. - Ook de zuiver fysieke of lichamelijke schade zonder enige weerslag op het economisch potentieel van het slachtoffer, is principieel van vergoeding uitgesloten. In dit verband rijst de vraag naar de vergoeding van een (zeer) geringe lichamelijke aantasting. Als algemene regel wordt vooropgesteld dat het recht op vergoeding ontstaat, zodra de economische waarde van het slachtoffer op de arbeidsmarkt is aangetast, hoe gering deze aantasting ook is. De toestand dient voor ieder geval afzonderlijk te worden onderzocht. Het feit dat het slachtoffer een bijkomende inspanning moet leveren bij het werken, of een zekere pijn of lichte hinder moet verdragen, is niet ter zake dienend. De esthetische schade zal evenmin in aanmerking worden genomen tenzij het "inesthetisme" tengevolge van de door het ongeval opgelopen letsels de reclasseringskansen of het concurrentievermogen van het slachtoffer op de algemene arbeidsmarkt beïnvloeden (bijvoorbeeld voor een mannequin, hostess, artiest, ... Hoewel elke wettelijke definitie in dit verband ontbreekt, wordt algemeen aangenomen dat in het raam van de arbeidsongevallenregeling voor de particuliere sector enkel het verlies aan economische nuttigheidswaarde wordt vergoed, hetgeen in zekere zin kan worden gededuceerd uit de term (blijvende) "arbeidsongeschiktheid" in de wet van 10 april 1971. Het begrip (blijvende) "invaliditeit" daarentegen, dat regelmatig in de arbeidsongevallenreglementering voor de publieke sector opduikt, is des te verwarrender ... 4. Voorafbestaande toestandVooraf dient te worden opgemerkt dat de arbeidsongeschiktheid in haar geheel moet worden beoordeeld, zonder rekening te houden met de pathologische voorbeschiktheid van de getroffene of met de verergering van de gevolgen van een vorig ongeval, op voorwaarde dat het arbeidsongeval minstens de gedeeltelijke oorzaak van de ongeschiktheid is. Indien evenwel wordt vastgesteld dat er geen causaal verband (meer) bestaat met het arbeidsongeval, maar dat alleen de evolutieve pathologische toestand zich verder ontwikkelt, mag die lichamelijke afwijking niet in aanmerking worden genomen bij het bepalen van de graad van arbeidsongeschiktheid of mag een eventuele verergering niet meer aan het arbeidsongeval worden toegeschreven. Doorgaans wordt vrij strikt vastgehouden aan het vereiste van een oorzakelijk verband met het arbeidsongeval. In die optiek is het arrest van het Hof van Cassatie van 11 december 1978 des te markanter. In casu had het Arbeidshof te Luik in een arrest van 12 september 1977 beslist dat het ongeval de geschiktheid van een arbeider verminderd had die reeds verminderd was door zijn voorafbestaande toestand, en daardoor de invloed van de voorafbestaande toestand op het verlies van economische geschiktheid die in haar geheel moet worden begroot, verergerd had. Derhalve had het arbeidshof een percentage aan blijvende arbeidsongeschiktheid toegekend van 12%, waarvan 8% overeenstemt met de letsels die voortvloeien uit het arbeidsongeval, daar waar de andere 4% werd toegewezen voor de andere kwalen, naast de longsilicose, waaraan de betrokkene lijdt en die los staan van het arbeidsongeval. Het Hof van Cassatie zag hierin geen reden om het bestreden arrest te vernietigen... In feite is deze redenering volkomen in overeenstemming met de basisfilosofie van de wet. De weerslag op het economisch potentieel dient te worden geëvalueerd : daarbij moet niet alleen worden uitgegaan van de lichamelijke depreciatie tengevolge van het arbeidsongeval die in haar geheel moet worden ingeschat, maar ook andere factoren eigen aan de persoonlijkheid van het slachtoffer , behoren te worden ingecalculeerd bij het evalueren van de economische minderwaarde. Aangezien iemands gezondheidstoestand uiteraard een zeer belangrijke voorwaarde is om door middel van arbeid een inkomen te verwerven, is het niet meer dan logisch dat ook de niet aan het ongeval toe te schrijven kwalen in de evaluatie worden betrokken. Of een grootschalige toepassing van dit principe ook werkelijk haalbaar is, durven wij evenwel sterk te betwijfelen. In schril contrast met deze erg ruime visie op de ongeschiktheidsschattingen, dient de aandacht te worden gevestigd op een arrest van het Arbeidshof te Antwerpen van 29 april 1986. Bedoeld rechtscollege herhaalde weliswaar het algemene principe dat de schadeloosstelling van de blijvende arbeidsongeschiktheid ten overstaan van het slachtoffer van opeenvolgende ongevallen in zijn geheel moet worden begroot, maar voegde daaraan toe dat elk geval afzonderlijk dient te worden onderzocht om na te gaan of dit principe wel van toepassing is. In dit concrete geval ging het om een schoolvoorbeeld dat past in het kraam van elke arbeidsöngevallenverzekeraar : naar aanleiding van een eerste ongeval was de wijsvinger van het slachtoffer gedeeltelijk geamputeerd waarvoor hem een ongeschiktheidspercentage van 8% werd toegekend; tengevolge van een tweede ongeval diende diezelfde vinger volledig te worden geamputeerd. Volgens het arbeidshof zou het onbillijk zijn hiervoor een ongeschiktheidsgraad van 10% toe te kennen. Het hof meende dat slechts een veretgering van 2% kon worden aanvaard ter vergoeding van de schadelijke gevolgen van het tweede ongeval. Hoewel het Arbeidshof haar uiterste best doet om het tegendeel te bewijzen, ruikt haar overweging dat de cumulatie van successieve minderwaarden niet mag leiden tot het overschrijden van het maximaal percentage dat voor het volledig verlies van het lidmaat kan worden toegekend, zeer sterk naar een baremale schatting. Niettegenstaande deze beslissing misschien de meesten zeer billijk voorkomt, is zij in strijd met het forfaitaire karakter van de arbeidsongevallenvergoedingen. In de huidige stand van de wetgeving bestaat de enige mogelijkheid om aan dergelijke "onrechtvaardige" toestanden het hoofd te bieden erin de cumulatie van de vergoedingen uit verschillende ongevallen te beperken. Meer aangewezen is het nog, de lege ferenda, de huidige vergoedingsregeling te herzien... 5. Forfaitaire of concrete evaluatie van de schade ?Bij het inschatten van de blijvende arbeidsongeschiktheid komt het erop aan de weerslag vast te stellen van de lichamelijke depreciatie van het slachtoffer op zijn economisch potentieel, d.i. op zijn mogelijkheden om nog regelmatige inkomsten uit arbeid te verwerven. Bij die raming wordt dikwijls gebruik gemaakt van de "Officiële Belgische Schaal ter bepaling van de graad van Invaliditeit". Hoewel dit onder de artsen een alom verspreide praktijk is, moet een dergelijke forfaitaire schadebegroting worden afgewezen, aangezien deze schalen geen enkele wetenschappelijke waarde hebben, hier door de wetgever niet gewild zijn en daarenboven geen billijke en gelijke rechtsbedeling verzekeren. Die 0. B. S. I. herleidt de mens tot een louter fysiek wezen waarbij het verlies van bepaalde lichaamsdelen, functies of organen zou overeenstemmen met een zekere graad van arbeidsongeschiktheid. De arbeidsongeschiktheid kan immers niet gewoon worden gelijkgesteld met de medisch bepaalde fysieke minderwaarde, die enkel van belang is als basis voor de berekening van de vergoeding, maar op zich geen aanleiding geeft tot vergoeding. Een rationele en concrete evaluatie van het loonverlies is slechts mogelijk, indien ook een aantal sociaal-economische factoren in de raming wordt opgenomen. Zo dienen
Enkel structurele wijzigingen van de arbeidsmarkt -en niet de toevallige conjunctuurschommelingen- zijn ter zake medebepalend, hetgeen erop neerkomt dat geen rekening dient te worden gehouden met de concrete reclasseringsmogelijkheden. Soms wordt de regionale arbeidsmarkt als maatstaf genomen, wat echter door een constante cassatierechtspraak wordt tegengesproken. In de publieke sector mag ook het gegeven van de vastheid van betrekking niet uit het oog worden verloren, waaruit logischerwijze voortvloeit dat de toegekende arbeidsongeschiktheidsgraad voor de vastbenoemde ambtenaar doorgaans lager zou moeten liggen in vergelijking met zijn collega-werknemer uit de particuliere sector, want deze laatste loopt een groter risico om ontslagen te worden. Nochtans heeft het Hof van Cassatie in onvervalste bewoordingen duidelijk gemaakt dat de blijvende invaliditeit niet mag worden bepaald uitsluitend op grond van haar weerslag op het uitgeoefende ambt. Zowel in de particuliere sector als in de publieke sector kan een eventueel geschil betreffende devaststelling van het percentage aanblijvende arbeidsongeschiktheid of invaliditeit aanhangig worden gemaakt bij de arbeidsrechtbank. 6. praktischa. Particuliere sectorDe blijvende arbeidsongeschiktheid in de particuliere sector wordt ingeschat door de verzekeringsraadsgeneesheren. Ook in de niet-conflictuele fase zullen deze geneesheren ernaar streven -in de mate van het mogelijke- de economische waardevermindering vast te stellen. In het consolidatieverslag dat met het oog op de bekrachtiging van een arbeidsongeval in de particuliere sector aan het F.A.O. dient te worden overgemaakt, moet overigens melding worden gemaakt van "de blijvende letsels met aanduiding te indicatieven titel van de overeenkomende artikelen van de Officiële Belgische Schaal ter bepaling van de graad van invaliditeit'. Daar wordt aan toegevoegd dat bedoeld consolidatieverslag tevens een beschrijving dient te bevatten van "de vaststelling van de tijdelijke en de blijvende arbeidsongeschiktheid waarbij een onderscheid gemaakt wordt tussen de graad van fysische (lees : fysieke) en de uiteindelijke GLOBALE ECONOMISCHE arbeidsongeschiktheid. Op die wijze wordt uitdrukkelijk aan de verzekeringsraadsgeneesheren de opdracht gegeven zich niet enkel in te laten met het inschatten van de lichamelijke waardevermindering, met verwijzing naar de 0. B. S. I., maar tevens de economische impact hiervan in "cijfers" uit te drukken. Niettegenstaande de geldende evaluatiemethode voor heel wat kritiek vatbaar is, kan de achterliggende filosofie ervan nog enigszins realistisch worden genoemd, voor zover het een arbeidsongeval in de particuliere sector betreft. Niet het actuele, maar ook het hypothetische toekomstige loonverlies moet in overweging worden genomen. De werkgever uit de particuliere sector geniet immers een vrijwel onbeperkte ontslagvrijheid om zijn niet meer rendabele werknemer op om het even welk ogenblik aan de deur te zetten. In die optiek is het logisch dat de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid dient te worden begroot, ongeacht of de betrokkene nog een loon geniet of een betrekking bekleedt op het ogenblik van de evaluatie. Dit neemt evenwel niet weg dat ook in de particuliere sector het toekennen van een gering ongeschiktheidspercentage veeleer een verdoken morele schadevergoeding is, dan wel een vergoeding voor de economische waardevermindering tengevolge van de opgelopen lichamelijke schade. Omgekeerd zullen ernstige blijvende arbeidsongeschiktheden doorgaans tot een onder-vergoeding leiden, want het gevaar is niet denkbeeldig dat een werknemer met een blijvende arbeidsongeschiktheid die weliswaar niet volledig is, het onderspit zal moeten delven in de strijd om werk waarin hij het moet opnemen tegen een leger valide werklozen. Ook over-vergoeding is mogelijk, maar veeleer zeldzaam. Een dergelijke over-vergoeding kan in de particuliere sector vrij omvangrijke vormen aannemen, omdat geen enkele beperking werd ingebouwd voor het geval dat degene die een blijvende arbeidsongeschiktheid heeft opgelopen, opnieuw een volwaardig loon verdient... b. Publieke sectorIn de publieke sector behoort het tot de taak van de bevoegde geneeskundige dienst uitspraak te doen over het percentage van de blijvende invaliditeit. Meestal is de Administratieve Gezondheidsdienst ter zake bevoegd, waarvan alom bekend is dat deze dienst zich enkel inlaat met het evalueren van de louter lichamelijke depreciatie. Aan de tewerkstellende overheid wordt weliswaar, hetzij expliciet, hetzij impliciet, de mogelijkheid geboden dit percentage eventueel te verhogen naargelang van de economische minderwaarde. Merk overigens op dat het de overheid niet toegestaan is dit percentage te verlagen, waarbij er blijkbaar van uitgegaan werd dat de economische minderwaarde altijd groter is dan de fysieke, wat in de particuliere sector zeker niet als een algemene stelregel wordt aanvaard ... In de praktijk blijkt dat de overheid nooit tot een dergelijke verhoging overgaat. Dit brengt met zich dat het overheidspersoneelslid in de praktijk een rente zal bekomen op basis van een invaliditeitspercentage dat moet worden geacht overeen te stemmen met de opgelopen lichamelijke schade. Aangezien de meeste overheidspersoneelsleden feitelijke
vastheid van betrekking genieten, is dit niet zo'n slecht resultaat. De
vastbenoemde ambtenaar wordt immers vergoed voor "schade" die,
volgens de geldende normen voor de particuliere sector, niet in aanmerking
komt, namelijk zijn louter fysieke schade. Als dan toch zou blijken dat
de ambtenaar niet meer in staat is om zijn vroeger of een ander ambt nog
langer uit te oefenen, zal hij definitief ongeschikt worden verklaard.
Dit geeft aanleiding tot een ambtsneerlegging van rechtswege, maar opent
ook een recht op een invaliditeitspensioen. Samen met dat pensioen kan
de ambtenaar dan een recht doen gelden op zijn rente wegens blijvende
invaliditeit, weliswaar beperkt tot maximaal 100% van zijn laatste bezoldiging.
In vergelijking met de penibele toestand van vele slachtoffers van een
arbeidsongeval in de particuliere sector is dat mooi meegenomen. Niet het feit dat een rente wordt toegekend, stuit ons tegen de borst, maar wel de verantwoording die daaraan wordt gegeven. Het blijft dan ook onze stelligste overtuiging dat er nog iets "meer" is dat het verdient zowel in de regeling voor de publieke sector als in deze voor de particuliere sector te worden erkend : ook het welzijnsverlies dat niet beperkt is tot het verlies aan verdienvermogen, zou op een passende wijze moeten worden vergoed. 7. AlternatiefDie methode van dubbele evaluatie in procenten op lichamelijk en economisch vlak is voor heel wat kritiek vatbaar. Enerzijds is het voor de arts een onmogelijke opgave om een cijfer te kleven op de door hem geconstateerde fysieke minderwaarde, gelet op het feit dat de louter lichamelijke waardevermindering onbepaalbaar is, omdat deze essentieel een functie is van de relatie van de betrokkene met zijn omgeving. Anderzijds is het onredelijk op een bepaald ogenblik -namelijk op de datum van consolidatie- het hypothetisch loonverlies voor de toekomst vast te stellen, dat -onder voorbehoud van herziening binnen een termijn van drie jaar- constant zal blijven tot het einde der (arbeids)dagen van de betrokkene. Het verdient daarentegen de voorkeur een vergoeding uit te keren voor het reële loonverlies dat het slachtoffer op een bepaald moment lijdt. Vergelijkbaar met de andere sectoren van de sociale zekerheid (namelijk de ziekte- en invaliditeitsverzekering en de werkloosheid), zal de getroffene ophouden gerechtigd te zijn, zodra hij een zelfde loon ontvangt als hij verdiende v66r het ongeval. Wat het bedrag van de vergoeding betreft, zullen vanzelfsprekend bepaalde plafonds moeten behouden blijven en zal slechts een zeker percentage van het verschil tussen het loon verdiend vóór het ongeval, en het loon dat de betrokkene verwerft na het ongeval, worden uitgekeerd. Bij de vaststelling daarvan dient rekening te worden gehouden met de voorhanden zijnde financiële middelen. Dergelijke hervorming behoort daarenboven gepaard te gaan met een verdere uitbouw van het wedertewerkstellingssysteem. Naast het feit dat op die wijze de werkelijk geleden schade wordt vergoed, zonder een beroep te moeten doen op uiteraard onvolmaakte evaluatietechnieken, biedt deze oplossing het bijkomende voordeel dat alle betwistingen omtrent de vaststelling van de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid of invaliditeit, de consolidatiedatum, de herziening en de daarmee verbonden proceduriële moeilijkheden voorgoed tot het verleden zullen behoren. Het is evenwel duidelijk dat een dergelijk alternatief een grondige ommekeer van de bestaande regeling impliceert. Minder verregaand, maar ook minder voldoeninggevend, is de oplossing die erin bestaat de evaluatie van de loonschade over te laten aan een arbeidsdeskundige die in staat is nauwkeurige loonstudies door te voeren en het concrete loonverlies te schatten, eventueel op basis van een algemene formule waarin aan de verschillende factoren een bepaalde wegingscoëfficiënt moet worden toegekend. Ter zake blijft het nodig het advies van een verzekeringsgeneesheer of van de bevoegde geneeskundige dienst in te winnen, tot wiens taak het behoort het bestaan van het letsel en het oorzakelijk verband met het arbeidsongeval vast te stellen. De betrokken geneesheer zou in dit verband ook een belangrijke dienst kunnen bewijzen door aan te geven welke medische tegenindicaties er bestaan op het stuk van de beroepen waarvoor de belanghebbende in aanmerking komt. Rekening houdend met de leeftijd, het aanpassingsvermogen, de scholingsgraad en het uitgeoefende beroep, kan dan een schatting worden gemaakt van de beroepen op de arbeidsmarkt die voor de getroffene nog open staan. Voor de publieke sector dient ook het gegeven van de vastheid van betrekking te worden ingecalculeerd, hetgeen een bijzondere moeilijkheid oplevert en eens te meer de onmogelijkheid van berekening van het toekomstig verlies aan verdienvermogen illustreert. Deze evaluatie moet gebeuren in de schoot van één enkel organisme, samengesteld uit verschillende experts, hetgeen een snellere en efficiëntere behandeling van het dossier in de hand werkt. In het voorontwerp van wetboek van de commissie Dillemans wordt inderdaad voorzien in de oprichting van een dergelijke multidisciplinair samengestelde "medisch-sociale dienst" die zal worden belast met de evaluatie van de arbeidsongeschiktheid. Daarnaast dient ook het welzijnsverlies (ook wel gezondheidsschade) te worden vergoed. Waar ongeveer 95% van de arbeidsongevallen die resulteren in een blijvende arbeidsongeschiktheid, zich situeren in de categorie van de "geringe" ongeschiktheden (tot 20%), moeten we besluiten dat ook in de huidige stand van zaken, in vele gevallen veeleer een "morele" schadevergoeding wordt toegekend, aangezien meestal zowel het actueel als het toekomstig loonverlies vrijwel nihil zal zijn. Deze hypocriete praktijk zou moeten worden vervangen door het institutionaliseren van het vergoeden van het welzijnsverlies : deze bestaat uit de hinder die de beschadigde mens ontmoet bij zijn omgang met de medemens en de dingen. Vanuit die optiek is het niet langer verantwoord de vergoeding voor het welzijnsverlies vast te stellen op basis van het vroeger verdiende loon van de betrokkene. Ook het vergoedingsprincipe zelf kan in vraag worden gesteld. Schadeloosstellen is "herstellen" en "vergoeden". In zoverre het herstel met alle mogelijke middelen de betrokkene opnieuw in een toestand tracht te brengen waarin hij zou geweest zijn als er geen schade was opgetreden, behoort een dergelijk herstel van de menselijke schade de absolute voorrang te hebben op de uitbetaling van een vergoeding die slechts een vervangend karakter heeft. Dit geldt overigens evenzo voor de schadeloosstelling van het verlies aan arbeidsinkomen waarbij prioriteit moet worden verleend aan het herstel van het arbeidsinkomen door middel van wedertewerkstelling en slechts in bijkomende orde mag worden overgestapt op het aanbieden van een vervangingsinkomen. Hic et nunc liggen de accenten evenwel anders. De schadeloosstelling van het welzijnsverlies dient, volgens VIAENE, LAHAYE, en VAN STEENBERGE, prioritair te bestaan uit alle herstelacties die het welzijnsverlies kunnen opheffen, namelijk : de medische verzorging : het genezen of beperken van de psycho-fysieke belemmeringen. Hieraan wordt in de huidige stand van de wetgeving reeds in belangrijke mate tegemoet gekomen door het toekennen van de "nodige" prothesen en orthopedische toestellen, zij het dat de terugbetaling hiervan meestal slechts aan Z.I.V.-tarief gebeurt; de situationele verzorging het wegnemen van de hinder die de gehandicapte ondervindt in de omgang met zijn milieu. Als voorbeelden noemen deze auteurs : verschaffen van middelen en diensten om de beperkingen op te heffen inzake verkeer, communicatie, voeding, woning, enzovoort. Deze opsomming gaat ons inziens nog te veel in de richting van het verschaf f en van materiële hulpmiddelen om de ongemakken van de opgelopen fysieke letsels, in de mate van het mogelijke, op te heffen en is nog al te sterk verbonden met het begrip gezondheid in de enge betekenis van het woord. Wanneer men werkelijk een zo volledig mogelijk herstel nastreeft, is dit naar onze mening onvoldoende, maar dient ook een psychosociale begeleiding te worden ingebouwd met het oog op een reïntegratie van het slachtoffer en het oplossen van de relatiestoornissen die het ongeval heef t teweeggebracht. Dit vergt een uitgebalanceerde begeleiding door "welzijnswerkers", belast hetzij met de doorverwijzing naar bevoegde medische hulpverleners, hetzij met het uitwerken van concrete opvangmogelijkheden. Secundair zou, volgens deze auteurs, de schadeloosstelling voor het welzijnsverlies moeten bestaan uit het toekennen van een vergoeding voor het deel van het welzijnsverlies dat niet kan worden hersteld, ondanks een goede medische en situationele verzorging. Een dergelijk "zoengeld" mag slechts als een noodoplossing fungeren en dient enkel het onherstelbare gedeelte van het geleden welzijnsverlies te vergoeden. Het is duidelijk dal een concrete schatting hiervan volkomen onmogelijk is, zodat men dan aangewezen is op een tarificatiesysteem. Het invoeren van een situationele verzorging voor de slachtoffers van een arbeidsongeval is in se een belangrijke stap in de richting van een meer welzijnsgerichte samenleving, maar de discrepantie ten aanzien van de traditionele sectoren van de sociale zekerheid wordt daardoor nog vergroot, hetgeen logischerwijze het aantal geschillen omtrent de toepasselijkheid van de arbeidsongevallenregeling nog zal doen toenemen. Wij zijn dan ook van oordeel dat de situationele verzorging op ruimere basis moet worden uitgebouwd, want waar het uiteindelijk op aan komt, is het herstel van de menselijke schade, ongeacht de onderliggende oorzaak daarvan. 8. Quid, in geval van heelkundige bewerkingen en andere behandelingen ?De schade die door een arbeidsongeval wordt veroorzaakt,
omvat vanzelfsprekend ook de verergering in de toestand van een getroffene
ingevolge een heelkundige bewerking die werd uitgevoerd om de gevolgen
van het arbeidsongeval te verminderen. De vraag rijst evenwel hoe ver de beslissingsmacht van de rechter mag reiken om in te grijpen in de persoonlijke integriteit van het slachtoffer door hem bepaalde risico's op te leggen. Dezelfde filosofie wordt, a fortiori, toegepast als de getroffene het letsel opzettelijk in stand heeft gehouden of zelf verergerd heeft.
|