|
Ingrepen
-nota over discushernia
-posterieure rugartrodese
-kanaalstenose
-Ralif
-Discusprothese
-nekhernia
Discushernia
Ons lichaam heeft in totaal 24 wervels, met tussen elke
twee wervels een tussenwervelschijf of 'discus'. Samen vormen zij onze
rug van aan het hoofd tot aan het bekken.
De discus laat bewegingen toe tussen de wervels onderling
en vangt zeker ook de schokken op als we stappen of springen. De discus
is in feite een ovale schijf met aan de buiterand concentrische lamellen
en binnenin een zachte kern. De lamellen (of 'annulus') houden de binnenste
zachte kern (of 'nucleus pulposus') vast. De zachte kern bestaat voor
een groot gedeelte uit water dat wordt opgenomen uit de omliggende weefsels.
's nachts zuigt deze kern zich vol water en overdag wordt dit water er
door de zwaaartekracht terug uitgeperst. We zijn daarom 's morgens ook
langer dan 's avonds.
Naarmate we ouder worden (vanaf de leeftijd van 25 jaar
!) wordt deze kern echter minder soepel en verdroogt hij (we krimpen).
Ook de annulus rondom wordt minder eleastisch en bij zware belasting kunnen
er kleine scheurtjes optreden in deze annulus. Op dat ogenblik voele we
dit aan als acute lage rugpijn of 'lumbago'. Deze scheurtjes kunnen we
ook zien op een Magnetisch Resonantie-onderzoek van de rug.
Uiteindelijk kan er een grote scheur ontstaan waardoor
de nucleus bijna de schijf verlaat. Door deze uitpuiling drukt de schijf
nu op de nabijgelegen zenuw, waardoor niet alleen lage rugpijn ontstaat
maar ook pijn in het been of 'ischias'. In 80 % zal deze scheur genezen
binnen 6 weken mits behoorlijke behandeling.
De echte discus hernia (Latijn voor breuk) ontstaat wanneer
de schijf het helemaal begeeft en de nucleus of zachte kern helemaal naar
buiten komt. Op dit ogenblik zal vnl. De pijn in het been primeren. Deze
hernia komt dikwijls in aanmerking voor heelkundige behandeling. Hierbij
is het doel de uitgebroken zachte kern te verwijderen, waardoor de platgedrukte
zenuw terug kan worden vrijgemaakt. Dit wordt meestal uitgevoerd ofwel
via een dagopname ofwel via een overnachtopname (met een kleine gecentreerde
incisie welke dus een vlugge heling laat verwachten).
Van zodra de annulus scheurtjes begint te vertonen is
de schijf beschadigd en kan Uw rug mogelijk een zwakken plek blijven.
Dit wil niet zeggen dat u niets meer mag of kan doen, wel dat uw activiteit
en sport best aangepast worden aan deze situatie. Hetzelfde geldt na een
discus hernia operatie.
Posterieure rugartrodese
Artrodese wil zeggen 'vastzetten van een gewricht'. De
rug heeft vele gewrichten en bij artrodese van de rug bedoelen wij dat
minstels twee wervels met elkaar worden verbonden met het oog op het vastgroeien
(of fusie) van de ene wervel aan de andere.
Dit 'vastzetten' kan op verschillende manieren gebeuren.
Meestal wordt de tussenwervelschijf tussen twee aanpalende wervels verwijderd
langs de rug of langs de buik, waarna de overgebleven ruimte wordt gevuld
met bot, al dan niet op zijn plaats gehouden door kooien. Dit bot groeit
na gemiddeld 6 maanden vast aan de onder- en bovenliggende wervel, zodat
deze twee één blok vormen.
Soms
wordt deze constructie verstevigd door de wervels met elkaar te verbinden
door schroeven en platen. Eerst worden vier schroeven aangebracht (twee
in elke wervel) die dan met elkaar worden verbonden met twee platen.
De juiste plaats voor de pedikelschroeven wordt opgezocht
In de wervel wordt draad getapt opdat de schroef er zonder problemen zou
inpassen
De twee schroeven zitten ter plaatse, na zorvuldig inbrengen.
Kanaalstenosis
Kanaalstenose
betekent dat het ruggenmergkanaal dat zich bevindt in het centrum van
de wervels te nauw is om het ruggenmerg en/of de zenuwen vrij en ongehinderd
te laten passeren. Dit kan aangeboren zijn of (meestal) verworven.
Aangeboren (syndroom van Verbiest) wil zeggen dat men vanaf de geboorte
een te nauw ruggenmergkanaal heeft, waardoor men op vrij jonge leeftijd
klachten (zie verder) krijgt. Meestal heeft vader of moeder deze klachten
ook vrij snel.
Verworven wil zeggen dat het kanaal nauwer wordt op latere leeftijd.
De oorzaak is dan meestal degeneratief. Artrose of het verslijten van
de gewrichten is dan de oorzaak. Meestal is een combinatie van artrose
van de tussenwervelschijf en van de rug (facet-) gewricten de oorzaak
van het smaller worden van het ruggenmergkanaal.
Als de stenose zich voordoet in de lendenwervels bestaan de klachten
uit :
- lage rugpijn
- pijn in één of twee benen
- moe gevoel in de benen
- moeilijk en op den duur niet ver meer kunnen stappen
(neurogene claudicatio)
Als de stenose zich voordoet in de halswervels bestaan
de klachten uit :
- nekpijn
- tintelingen en voosheid in de handen en de vingers
(boordknoopjes niet meer toekrijgen)
- moeilijke gang, wijdbeens en onzeker, alsof men wat
teveel heeft gedronken
- soms plasproblemen
Deze klachten kunnen worden verholpen als Uw arts vaststelt
dat ze worden veroorzaakt door een kanaalstenose.
Wanneer
U een klassieke discus henia operatie ondergaat, zal het gehernieerd discusfragment
(zie "wat is een discus hernia") verwijderd zijn. Na deze ingreep
is de schijf zelf nog niet geheeld. De scheur in de schijf is nog niet
dischtgegroeid. Verder zijn de spieren langs de rug bezeerd door de ingreep
en ten slotte is de zenuw nu wel vrijgemaakt, maar meetal toch nog niet
genezen waardoot nog (uitstralings)pijn kan optreden. Om deze drie redenen
moet U het beslist rustig aan doen 1 maand na de ingreep.
Dit houdt in dat U nog moet rusten, de voorgeschreven
medicatie moet nemen en zich moet houden aan volgende regels :
- 1 De éérste week niet
zelf met de wagen rijden
- 2 Geen gewichten van meer dan 5 kg
heffen
- 3 Geen zwaar lichamelijk werk doen
- 4 U niet inspannen tot voorbij de
pijngrens
- 5 Niet de hele dag in bed of in de
zetel liggen.
U moet in beweging blijven, en steeds van houding veranderen;
stappen, zitten liggen, trappen doen. Elke dag twee wandelingen maken,
elke dag iets verder. Wanneer U een kwartier kunt stappen zonder veel
hinder mag U beginnen fietsen op een normale fiets. Ook zwemmen is aan
te raden, zodra de hechtingen verwijderd zijn.
Na de éérste postoperatieve raadpleging bij uw chirurg kunnen
deze activiteiten toenemen wanneer hij dit toelaat. Een goede herstelperiode
is immers belangrijk om de rug te laten helen en om later terug alle activiteiten
te kunnen doen.
In priciepe gelden dezelfde raadgevingen na een Micro-Endoscopische
Discectomie, al zal de spierpijn na de ingreep een stuk minder zijn vermits
de insnede veel kleiner is.
De gemiddelde werkonbekwaamheid na deze ingrepen in Vlaanderen
bedraagt 4 maand. Dit is erg lang, maar soms toch nodig. In onze dienst
bedraagt de gemiddelde werkonbekwaamheid 7 weken. Deze periode is ziekteverlof
en dus bedoeld om 24 uur met je gezondheid, dus nu je rug, bezig te zijn
!
Men kan gebruik maken van een "vaste"
prothese (Ralif) of koolstof cage of van een "bewegende" prothese
(vb Link prothese, Maverick prothese, Prodisc prothese). Deze ingrepen
worden op vrijwel identieke wijze uitgevoerd (operatiemanier zie verder)
met een ziekenhuisopname van een viertal dagen. Stappen met een rugsteun
wordt meestal al na enkele dagen uitgevoerd. Totale ongeschiktheid varieert
van enkele weken tot enkele maanden (afhankelijk van het beroep).
RALIF
RALIF Ventrale spondylodese met koolstof cage
met bot-transplantatie (stand-alone wervelverstijving via de buikzijde)
Als
een implantatie van een discusprothese niet geschikt is wegens teveel
kans op blijvende pijnklachten doordat de wervels al meer beschadigingen
hebben opgelopen, of als het risico op blijvende zenuwwortel-irritatie
te groot is, dan wordt een koolstofblokje (cage) geïmplanteerd, helmaal
opgevuld met wat botsnippers uit de bekkenkam.
De
operatie-techniek en het litteken in de buik is dus vrijwel hetzelfde
als bij de discusprothese-implantatie. Er is wel een extra littekentje
voor het halen van de botsnippers in de bekkenkam, daar waar gewoonlijk
de broekriem op rust. Dat kan soms wel hinderlijk zijn. Uitwendig merkt
men het verschil in de rug niet, maar inwendig moet er dan botingroei
plaatsvinden. Het duurt dus langer voordat het operatie-effect bereikt
is. Dit noemen we een ventrale spondylodese. De gang van zaken en de nabehandeling
is vrijwel hetzelfde als bij de discusprothese, maar men moet wat langer
een kunsstofcorset dragen, om de ingroei te bevorderen. De directe post-operatieve
orders in het operatie-verslag zijn maatgevend. De overige kansen op andere
complicaties zijn ongeveer hetzelfde als bij een discusprothese-operatie,
omdat de toegangsweg via de buik dezelfde is. Meestal zijn na de spondylodese
de beenklachten ook vrijwel verdwenen, maar als die toch blijven bestaan,
dan kan het zinvol zijn om alsnog een zenuwwortel aan de achterkant via
de rug te "bevrijden": dat noemen we een dorsal release. Hierbij
gebeurt hetzelfde als bij een spinale stenose operatie. Als de stabiliteit
van het koostof-implantaat aan de voorzijde onvoldoende bleek te zijn,
werd bij een tweede ingreep alsnog aan de rugzijde met bouten en plaatjes
een extra versteviging aangebracht, een zogenaamde dorsale spondylodese
met pedikel-schroeven.
notities over discografie
zie verder

Het laatste jaar wordt ook gebruikt gemaakt van
een"pyramidaal plaatje" wat een supplementaire fixatie geeft
en op niveau L5S1 vaak heling geeft na 6-8 weken!!
dwarsdoorsnede
van carbon cage en pyramidaal plaatje
DISCUSPROTHESE
De discusprothese is nog een "discussie"-prothese.
Wanneer nauwkeurig is aangetoond dat alleen een beschadigde tussenwervel-schijf
(discus), de oorzaak is van de rug- en beenklachten, waarbij de pijn en
het ongemak onvoldoende reageren op specifieke rugspier-training of andere
eenvoudige behandelingen, dan is het natuurlijk logisch dat we denken
aan een reparatie of vernieuwing van die "kapotte" discus. Tot
nu toe is een reparatie en echte vernieuwing technisch niet mogelijk.
Bij alle andere rug-operaties wordt alleen maar iets weggehaald of verstijfd.
Bij een ventrale spondylodese wordt de schijf via de buik vervangen door
botstukjes uit de bekkenkam met of zonder kunststof. Daarna is er in principe
geen beweeglijkheid meer tussen die wervels, waardoor rust ontstaat in
dat stukje rug. Die "verstijfde" situatie heeft ook nadelen:
doordat de scharnier-funktie is verdwenen, moeten de andere schijven de
bewegingen opvangen en lopen extra risico door overbelasting. Het kan
lang duren voordat de "verstijving" ook werkelijk is opgetreden.
Bij een discus-prothese blijft de beweeglijkheid bestaan en we hoeven
niet te wachten op doorbouw. De huidige discus-prothese bestaat uit twee
stalen steunplaatjes, met daartussen een los plastic schijfje. Door de
constante druk tussen de wervels blijven de drie losse prothese-delen
onwrikbaar op hun plaats en met elkaar in contact. De beweeglijkheid van
de aangrenzende wervels blijft mogelijk en de hoogte tussen de ingezakte
wervels is weer hersteld. De prothese kan op meerdere verdiepingen in
de rug worden geimplanteerd. De aangrenzende verdiepingen van de rug worden
niet overbelast. De vervanging van een tussenwervelschijf door een discus-prothese
is vooral geschikt voor gezonde mensen met een bewezen "pijnlijke
beschadigde tussenwervelschijf". Dat is vaak ook het geval na een
vroegere hernia-operatie met maar voortdurende rugklachten. Als een verstijvings-operatie
de enige uitweg lijkt, kan eerst nog een discus-prothese worden overwogen.
De beweeglijkheid is tegelijkertijd een nadeel van de discusprothese:
daardoor kan een geïrriteerde zenuw geïrriteerd blijven. Bij
een echt zenuwwortel probleem dus geen discusprothese implanteren, maar
dan juist stabiliseren en/of de zenuwwortel bevrijden.
technische nota
Al voor de operatie krijgt men een keer antibiotica (Augmentin)
en een anti-thrombose prik (Fraxiparine). De discusprothese-operatie wordt
uitgevoerd onder volledige narcose.
Als
toegangsweg voor een ventrale retroperitoneale benadering van de intervertebrale
regio van L4-L5 en L5-S1 , wordt -na lokalisatie
( radioscopie )van het gepaste niveau - een links-laterale boogvormige
huidincisie in de linker fossa iliaca en volgens de lijnen van Lange uitgevoerd.
De
voorste laterale pararectale fascia wordt naar distaal ingesneden tot
tegen de musculus piramidalis , naar proximaal zo hoog als nodig .De rectusspier
zelf wordt zeer beperkt naar mediaal vrijgemaakt .
Een nauwkeurige hemostase van zowel de subcutane vaten als de twee horizontaal
verlopende bloedvaatjes op het distaal deel van de achterste rectusfascia
voorkomt overbodige hematomen .
Om
het retroperioneum te bereiken snijdt men met de rand van de bistouri
de achterste rectusfascia- ttz de fascia tranversalis- distaal van de
linea semilunaris zo lateraal mogelijk in , waardoor een perforatie van
het peritoneum voorkomen wordt.Een accidentele perforatie wordt onmiddellijk
gehecht .
Door stompe dissectie in het avasculair plan tussen de
achterste buikwand antero-lateraal en het preperitoneale vetweefsel dorso-mediaal
wordt de musculus psoas Li bereikt .
Het dorso-laterale retroperitoneum wordt van lateraal naar mediaal , van
distaal naar proximaal vrijgelegd tov de psoas ,met identificatie van
de ureter , de arteria iliaca communis en superficialis .
Noch de ureter noch de arteria Iliaca worden vrijgelegd of geteugeld
De vena iliaca Li wordt in de diepte onder en achter de arteria vermoed.
Een ortostatische wondsperrer -type Balfour - wordt geplaatst
.
Bij een toegangsweg voor L5-S1 wordt tussen de benen van de aorta-bifurcatie
via een verticale incisie gevolgd door een stompe maar zachte dissectie
het periost van het proximale sacrum en L5 onmiddellijk vrijgelegd .
De mediane sacrale verticale vene en arterie (o 1-2mm) worden doorgehaald,
geclipt of afgebonden . De nervus hypogastricus inferior wordt niet opgezocht
maar blind opzij geschoven .
Gaandeweg wordt de discus , het wervellichaam van L5 en het proximale
sacrum over de ganse breedte en een proximale en distale lengte van telkens
5 mm tov de discus vrijgelegd .
Desnoods wordt de discus met aanprikken van een naald en radioscopie geidentificeerd
.
Tijdens het ganse verloop van de dissectie wordt het gebruik van electrocoagulatie
vermeden , dit om letsels van de Nervus hypogastricus inferior te voorkomen.
Tenslotte worden zowel de Li als Re vena iliaca naar lateraal en craniaal
met zachte nootdeppers van het periost vrijgemaakt en dit voor zoveel
als nodig .
De toegangsweg naar L4-L5 vergt iet of wat meer geduld
.
In de hoek tussen Li psoas en het Li laterale deel van het vijfde lumbale
wervellichaam wordt het losmasig vetweefsel vrijgemaakt tot men het periost
van het wervellichaam lateraal links bereikt .
De constante laterale lumbale vene die met een wisselende doormeter van
2 tot 4 mm in de vena iliaca draineert , wordt opgezocht en geisoleerd
,evt met zenuwhaakje .
Het dubbel clippen en doorhalen van deze vene voorkomt niet alleen het
uitscheuren uit de vena iliaca maar vergemakkelijkt tegelijk de latere
dissectie van het wervellichaam naar rechts .
Desgevallend kan het nodig zijn een kleine ( o 2mm ) proximale overrijdende
horizontale lumbale vene en arterie , te clippen .
De identificatie van de intervertebrale discus en het vrijleggen van de
aanliggende wervels verloopt zoals bij L5-S1 procedure .Uiteraard wordt
de vena cava met de gepaste omzichtigheid benaderd.
Een evt .inscheuren van een van de aanliggende venen met
begeleidende bloeding , is bij de gepaste hoger vermelde voorzorgen uitzonderlijk.
Zonodig wordt het veneus letsel met een vasculaire draad 4.0 gehecht.
Proximale en distale voorlopige compressie op de vene zelf beperkt het
bloedverlies en laat tegelijk toe om in een "droog" veld een
eenvoudige vaatsutuur uit te voeren .
Na het inbrengen van de prothese , wordt een hemostase
van het retroperitoneum uitgevoerd - een redondrain is meestal overbodig
-, peritoneum en ureter worden gecontroleerd op integriteit .
De rectusfascia wordt gesloten , een subcutane redon kan bij belangrijke
obesitas geplaatst worden , en uiteraard wordt de huid gehecht.
Een tijdelijke hypo - of disestesie van de huid distaal
van de wonde behoort tot de mogelijkheden en kan tenonrechte de patient
verontrusten . De postoperatieve ileus is duidelijk korter dan bij een
transperitoneale toegangsweg .
Een zeer beperkte hematurie :"vin rosé "
urine is zeldzaam maar mogelijk en moet binnen de 48 uur volledig verdwenen
zijn .Het optreden van een littekenbreuk werd in onze reeks niet vastgesteld
en het estetisch resultaat van de ingreep werd vooral bij dames in dank
aanvaard .

(bron operatieverslag Dr Wilfried Cornette
welke deze "retroperitoneale" toegangsweg vlot openlegt waarna
de spinale chirurg verder kan werken).
De wond wordt gesloten, soms met achterlaten
van een slangetje om wat overtollig bloed te laten ontsnappen, maar dat
kan meestal de volgende dag worden verwijderd. Nu kan de patient weer
wakker worden. De eerste dag krijgt men alleen een beetje te drinken,
om te voorkomen dat de maag gaat protesteren. Pas als men zich weer goed
fit voelt en de buik lekker "rommelt" mag men weer normaal eten
en drinken. Meestal is dat binnen twee dagen. Er is geen extra bedrust
noodzakelijk: zodra men daartoe in staat is, mag men direct na de operatie
proberen op te staan en gewoon naar het toilet lopen. De wond wordt door
een klein corset gesteund. Het verdere beloop en de verblijfsduur in het
ziekenhuis is zeer persoonlijk: de één is binnen enkele
dagen vertrokken, de ander heeft wel tien dagen nodig om bij te trekken.
Naast de nieuwe "wondpijn" kunnen ook de vroegere pijnen nog
in de eerste drie maanden blijven bestaan. Vaak kunnen de oude klachten
als sneeuw voor de zon zijn verdwenen. Het grootste risico is eigenlijk
het niet verdwijnen van de oude pijnen. De kans op succes is en blijft
vooral afhankelijk van de nauwkeurigheid van de diagnose en niet alleen
van de operatie-techniek. Speciale nabehandeling is niet vereist en er
worden ook geen beperkingen opgelegd. Wel lichte lumbale brace om excessieve
bewegingen initieel te vermijden.
risico's
De risico’s van een discus-operatie zijn: onvoldoende
verdwijnen van de pijn (20-30%), losraken van de prothese in de eerste
zes weken (< 1%), infectie (< 0.005 %), behandelbare thrombose (<
0.1%), herstelbare wondgenezingstoornissen (< 0.5%) nabloeding (<
2%), herstelbare bloedvatbeschadiging (< 0,5%). Bij slanke vrouwen
blijft er vaak een lichte bolling van de buik boven het dwarse litteken.
Bij jonge mannen is het raadzaam om sperma voor de operatie bij de spermabank
te laten invriezen: er is een kans van < 0,01% dat er na de operatie
op de onderste verdieping L5/S1 minder zaad tijdens de ejaculatie naar
buiten komt. Meestal herstelt dat zich later weer. De erectie blijft daarbij
normaal.
voorbeeld
voorbeeld van een NMR onderzoek met nadien het resultaat
van de discusprothese op radiografie

De nekhernia
Inleiding
In de hieronder volgende tekst vindt u een algemene beschrijving over
de operatieve behandeling van de hernia van de nek. Deze tekst biedt een
globaal overzicht. In de praktijk spelen allerlei factoren een rol, die
tezamen zullen bepalen wat de beste strategie is bij de behandeling van
de individuele patiënt. Iedere chirurg heeft daarin zijn eigen benadering,
en voordat zal worden besloten tot operatie zal hij/zij vanuit de eigen
optiek de voors en tegens, de risico's en de mogelijke complicaties van
de behandeling met de patiënt bespreken.
Een hernia (Hernia Nuclei Pulposi [HNP]) is een uitstulping
van de tussenwervelschijf. Deze uitstulping kan op een zenuw of op het
ruggenmerg drukken, waardoor pijnklachten kunnen ontstaan, of uitvalsverschijnselen
(zoals verlammingen en/of gevoelsverlies).
Anatomie van de halswervelkolom
De halswervelkolom bestaat uit zeven wervels. De meeste bewegingen en
de grootste bewegingsmogelijkheden bestaan tussen de atlas (dat is de
eerste of bovenste halswervel (C1)) en de draaier (dat is de tweede halswervel
(C2) die ook wel de dens wordt genoemd). In totaal zijn er 7 nek- (of
cervicale) wervels C1 t/m C7. Met uitzondering van de twee bovenste wervels
(C1 en C2), ligt er tussen twee opvolgende halswervels telkens een tussenwervelschijf.
De tussenwervelschijf bestaat uit een elastische kern (nucleus pulposus)
die is omgeven door een vezelige ring. De schijf is elastisch, en fungeert
als een soort schokdemper. Bovendien zorgt de tussenwervelschijf ervoor
dat de wervels enigszins ten opzichte van elkaar kunnen bewegen (zoals
een kogellager doet).
Het halswervelkanaal wordt van boven naar beneden op ieder
niveau gevormd door de wervelbogen, die vastzitten aan de wervellichamen,
en die aan de achterkant uitlopen in een uitsteeksel (het doornuitsteeksel).
Binnen in het halswervelkanaal loopt van boven naar beneden het ruggenmerg.
Het ruggenmerg ligt binnen in een koker van hersenvliezen, de zogenaamde
durale zak, waarin het in hersenvocht (liquor) schokvrij is opgehangen.
Vanuit het ruggenmerg ontspringen de zenuwwortels. Omhuld door een manchet
van hersenvlies, verlaten deze één voor één
telkens links en rechts tussen twee wervels het wervelkanaal. Het kanaaltje
waardoorheen de zenuwwortel verloopt alvorens de wervelkolom te verlaten
heet het zenuwwortel kanaal. De plaats waar zo'n zenuwwortel het wervelkanaal
verlaat ligt dicht bij de tussenwervelschijf. Als zich op die plek een
uitstulping van de tussenwervelschijf ontwikkelt kan dat aanleiding geven
tot beklemming van de zenuwwortel, waardoor herniaverschijnselen kunnen
optreden, zoals nekpijn en uitstralende pijn in een arm, al dan niet met
krachtvermindering en gevoelsverlies in het verzorgingsgebied van de beknelde
zenuwwortel.
De meest voorkomende nekhernia's liggen tussen de 5e en
de 6e (C5-6) en tussen de 6e en de 7e halswervel (C6-7), maar ze kunnen
ook op andere plaatsen binnen de halswervelkolom optreden (behalve tussen
C1 en C2, want daar zit géén tussenwervelschijf).
De hernia
Slijtage (of degeneratie) van een tussenwervelschijf is een proces dat
tijdens het leven bij ieder mens in meerdere of mindere mate plaatsvindt.
Dat kan aanleiding geven tot nekklachten, hoewel dat lang niet altijd
gebeurt. Indien er degeneratie van de tussenwervelschijf optreedt kan
deze gaan puilen. Soms treedt er zelfs een scheur in de vezelring van
de schijf op, waardoorheen dan stukken van de weke kern naar buiten kunnen
worden geperst, meestal bij de plaats waar de zenuwwortel het wervelkanaal
verlaat. Iedereen kan een nekhernia krijgen, en waarom dit bij de één
wel en bij de ander niet gebeurt is niet bekend. Wel kunnen in bepaalde
families hernia's iets vaker optreden. Omdat bij hoesten, niezen en persen
de druk in het wervelkanaal wordt verhoogd, dus ook de druk op de zenuwwortel,
kan hierbij de pijnuitstraling toenemen. Ter verlichting van de uitstralingspijn
leggen patiënten met een nekhernia vaak de hand van de pijnlijke
arm op het achterhoofd. In deze houding staat de zenuwwortel het minst
onder spanning.
Iedereen kan een nekhernia krijgen, en waarom dit bij de één
wel en bij de ander niet gebeurt is niet bekend. Wel kunnen in bepaalde
families hernia's iets vaker optreden. Uit recent onderzoek is gebleken
dat roken het degeneratieproces van de tussenwervelschijven kan versnellen,
hetgeen een ongunstige invloed heeft op de wervelkolom.
Vaak gaan nekklachten aan het optreden van een hernia vooraf. De verschijnselen
van de hernia bestaan meestal uit pijn die in de arm uitstraalt, eventueel
met een doof of prikkelend gevoel. Deze pijn treedt min of meer op in
het verzorgingsgebied van de zenuwwortel waarop de hernia drukt, al is
dit niet zo typisch als bij de hernia van de onderrug. Druk op de zenuwwortel
kan verlies van functie van die zenuw tot gevolg hebben.
De functie van de zenuwwortel is tweeledig: (1) de zenuw zorgt voor de
geleiding van impulsen van de hersenen naar bepaalde spieren, en (2) bovendien
voor de geleiding van impulsen van gevoelszintuigen (bijvoorbeeld van
delen van de huid) naar de hersenen. Druk op de zenuw kan leiden tot verstoring
van de functie van de zenuw. De functiestoornissen van een zenuwwortel
leiden tot verlammingen van één of meerdere spiergroepen,
en/of tot tintelingen of een doof gevoel in delen van de huid. Als er
beknelling van een zenuwwortel is geeft dat bovendien meestal uitstralende
pijn. Uit de beschrijving van de pijnuitstraling en uit de bij neurologisch
onderzoek vastgestelde uitval kan vaak worden afgeleid om welke zenuw
het gaat, en op welke plaats de hernia zich bevindt.
Als er sprake is van een grote en een meer naar het midden gelegen hernia,
kan dat in de halswervelkolom (naast beknelling van een zenuwwortel) aanleiding
geven tot beknelling van het ruggenmerg. Aangezien binnen het ruggenmerg
de zenuwbanen verlopen die alle impulsen van en naar de hersenen geleiden,
kan beknelling van het ruggenmerg leiden tot verlammingsverschijnselen
aan de benen, gevoelsstoornissen van romp en/of benen, en tot verlies
van de controle over blaas en endeldarm (incontinentie voor urine en ontlasting).
Het stellen van de diagnose
Om aan te tonen dat de pijn in de arm (en de eventuele uitvalsverschijnselen)
inderdaad veroorzaakt wordt door het uitstulpen van een tussenwervelschijf,
moet verder onderzoek worden verricht. Er zijn 3 soorten onderzoek die
hiervoor in aanmerking komen:
1. MRI (Magneet Scan). Dit onderzoek is tegenwoordig het
onderzoek van eerste keus. In de meeste gevallen zal het mogelijk zijn
om hiermee de diagnose hernia te stellen. Niet overal is een MRI apparaat
beschikbaar, zodat in die gevallen vaak zal worden gekozen voor de CT-scan.
Soms is het nodig om preciezer te worden geïnformeerd over de botstructuren
van de halswervelkolom. In dergelijke gevallen kan de informatie die de
MRI levert dan onvoldoende zijn.
2. CT scan (Computer Tomogram), eventueel in combinatie
met een contrast onderzoek (de contrastvloeistof wordt zoals bij caudografie
ingebracht via een of ruggenprik). Vooral de botstructuren van de wervelkolom
kunnen met de CT-scan goed worden beoordeeld, hetgeen informatie geeft
die van belang is bij de keuze van het soort operatie dat nodig is. De
CT-scan kan dus tevens aanvullende informatie verstrekken bij een patiënt
die eerder een MRI-onderzoek heeft ondergaan.
3. Röntgenfoto van de halswervelkolom. Met deze foto
kan de diagnose hernia niet worden gesteld, maar vaak is dit toch het
eerste onderzoek dat wordt gedaan bij patiënten met nekklachten of
verschijnselen van een nekhernia. Deze foto geeft informatie over de botstructuren
waaruit de hals-wervelkolom is opgebouwd. Hiermee is het mogelijk om botafwijkingen,
standafwijkingen of abnormale beweeglijkheid van de halswervelkolom op
het spoor te komen, of tekenen van slijtage van de gewrichten of de tussenwervelschijven
vast te stellen. Bovendien zullen de meeste chirurgen bij de planning
van, en ook ter oriëntatie tijdens, een nekoperatie gebruik maken
van deze "gewone" Röntgenfoto.
De operatie
Niet iedere nekhernia hoeft geopereerd te worden. Voorop
staat dat de patiënt klachten moet hebben die door de hernia kunnen
worden verklaard. Dan nog is het zo dat in de meeste gevallen (ongeveer
70-80%!!) door middel van fysiotherapie, gedoseerde rust en pijnstillers
de herniaklachten over gaan. Vanwege het gunstige beloop van een hernia
moet men niet te snel besluiten tot operatie. Aan de andere kant is het
zo dat bij (te) lang wachten het herstel na een operatie vertraagd kan
verlopen. In het algemeen houdt men aan om niet eerder dan na 6 weken,
doch wel binnen 6 maanden, te opereren.
Uitzondering vormen die patiënten bij wie sprake
is van een spoedindicatie. Er zijn twee soorten operatie-indicaties:
1. Absolute operatie-indicatie. Hiermee wordt bedoeld dat er ernstige
of snel optredende uitvalsverschijnselen zijn (bijvoorbeeld verlammingen)
door druk van de hernia op een zenuw of op het ruggenmerg.
2. Relatieve operatie-indicatie. Dat is het geval als de patiënt
zo veel last heeft van pijn, dat hij/zij hierdoor niet meer goed kan functioneren.
Het (subjectieve) klachtenpatroon geeft dan de doorslag, omdat het de
patiënt zelf is die aangeeft "dat het zo niet verder kan".
In de meerderheid van de gevallen dat wordt overgegaan tot operatie van
een nekhernia gaat het om patiënten die kampen met aanhoudende en/of
onverdraaglijke pijn.
De operatie van een nekhernia gebeurt altijd onder volledige narcose.
Er zijn verschillende methodes om een nekhernia te opereren. Het is nooit
aangetoond dat de ene methode beter is dan de andere, zodat iedere chirurg
zal kiezen voor die operatietechniek waarin hij/zij vertrouwen heeft,
toegespitst op de specifieke problematiek van de individuele patiënt.
De verschillende operatie methodes zijn:
· De achterste benadering via de achterzijde van
de nek. De patiënt ligt daarbij op de buik, terwijl het gezicht recht
naar beneden wordt gehouden met behulp van een speciale hoofdsteun of
een hoofdklem. Sommige chirurgen geven er de voorkeur aan de operatie
uit te voeren met de patiënt in zittende houding, waarbij de operatietafel
in de vorm van een fauteuil wordt gebracht, en de nek met behulp van een
hoofdklem in de rechte stand wordt gehouden. In alle gevallen wordt, op
de plaats waar de doornuitsteeksels van de ruggengraat kunnen worden gevoeld,
een lengte snede in de huid van de nek gemaakt. Vervolgens worden de nekspieren
aan de kant van de hernia losgemaakt van de doornuitsteeksels en de bogen
van de wervels, in het gebied waar zich de hernia bevindt. Als de wervelbogen
waarachter zich de hernia bevindt zijn vrijgemaakt van het spierweefsel,
zal een stukje van de bogen worden weg geknabbeld, tezamen met een deel
van de gewrichtjes van die twee wervels. Daarmee kan het wortelkanaal
geheel worden blootgelegd en kan de zenuwwortel worden vrijgemaakt. Door
de zenuw vervolgens opzij te houden, kan de hernia zonodig worden opgespoord
en met behulp van een speciaal paktangetje worden verwijderd.
· De voorste benadering via de voorzijde van de halswervelkolom.
Dit is de meest voorkomende benadering van een nekhernia. De patiënt
ligt hierbij op de rug op de operatietafel, met het gezicht recht omhoog.
Aan het begin van de operatie wordt een snee gemaakt in de hals, naar
de voorkeur van de operateur links of rechts van het midden. Vervolgens
worden de spieren en de andere structuren die in de hals verlopen (zoals
de bloedvaten, de luchtpijp, de slokdarm en de stembandzenuwen) uiteen
gehouden, om uiteindelijk precies op de voorkant van de halswervelkolom
uit te komen. Hiervoor maakt het niet uit of de hernia links of recht
zit; de benadering is dus echt van voren. Vervolgens wordt een Röntgenfoto
gemaakt om de precieze plaats van operatie te controleren. Hierna wordt
de zieke tussenwervelschijf in zijn geheel verwijderd, inclusief de uitpuiling
(hernia) die aanleiding gaf tot beknelling van de zenuwwortel en/of het
ruggenmerg. Vervolgens zijn er twee mogelijkheden om de operatie te vervolgen.
Ook hierbij is tot nu toe niet uitgemaakt welke techniek de beste is,
en de keuze die wordt gemaakt is dan ook afhankelijk van de ervaringen,
inzichten en voorkeuren van de behandelend chirurg.
· Opvullen van de tussenwervelruimte. Na het verwijderen
van de tussenwervelschijf kan de ontstane ruimte worden opgevuld met eigen
bot van de patiënt (meestal uit een bekkenkam), met donorbot (meestal
van een rund), met botcement, met een blokje keramiek, of met een "kooitje"
(in het engels "cage") van koolstof, kunststof of van het metaal
titanium). In vrijwel alle gevallen wordt hiermee bereikt dat de tussenwervelruimte
na de hernia operatie niet "inzakt", en het ontstaan van een
"knikje" in de halswervelkolom kan hiermee in bepaalde gevallen
worden voorkomen.
Bij
de meeste patiënten zullen na verloop van tijd de boven en ondergelegen
wervels met elkaar vergroeien (fuseren). Als het erom gaat om snelle fusie
te bewerkstelligen (bijvoorbeeld als er instabiliteit is van de wervels
waartussen zich de hernia bevond), kan ook worden gekozen voor het aanbrengen
van een metalen plaatje, dat rechtstreeks in de betreffende wervels wordt
vastgeschroefd. De nek wordt door het vastzetten niet merkbaar minder
beweeglijk!
· Zonder opvullen. Na het verwijderen van de tussenwervelschijf
wordt er niets in de tussenwervelruimte achtergelaten. Ook in dat geval
zal na verloop van tijd spontane vergroeiing van de beide wervels optreden.
Operatierisico's
Zoals bij iedere operatie zijn er ook aan de operatie van de nekhernia
risico's verbonden. De kans dat die optreden is echter zeer gering. De
nekhernia komt in de praktijk vaak voor en de operatieve behandeling ervan
door de chirurg behoort dan ook tot de "routineoperaties". Desalniettemin
kan er een toename van de uitvalsverschijnselen (verlammingen, gevoelsverlies)
optreden, meestal omdat men heeft moeten manipuleren aan een reeds te
erg beknelde zenuwwortel. Een ontsteking van de operatiewond of van de
tussenwervelruimte komt een enkele keer voor, en ook nabloeding in het
operatiegebied kan optreden. Vaak bestaan er kortdurend wat klachten van
spreken (schorre stem) en slikken (pijn bij slikken, of het gevoel van
"een brok in de keel") bij patiënten die een nekoperatie
langs de voorkant ondergaan hebben. Beschadiging van een stembandzenuw
met (al dan niet voorbijgaande) heesheid is een zeldzame complicatie.
Nog veel zeldzamer, maar wel ernstig, is beschadiging van de slokdarm
of van het ruggenmerg.
Na de operatie
Na de operatie gaat de patiënt naar de uitslaapkamer om bij te komen
uit de narcose. Afhankelijk van de benadering zal er een wonddrain in
de hals of in de nek zijn aangebracht, die in principe de volgende dag
zal worden verwijderd, en die tot doel heeft het bloed dat zich na de
operatie in het operatiegebied zou kunnen ophopen af te voeren. Wanneer
via de achterkant is geopereerd zal de patiënt last hebben van nekpijn
en soms ook van schouderpijn. Operaties langs de voorkant hebben zoals
boven gezegd vaak tot gevolg dat men de eerste dagen na de operatie last
van de keel heeft bij het slikken en soms ook van heesheid. De pijn in
de arm is meestal direct na de operatie verdwenen of reeds aanzienlijk
afgenomen. Een doof gevoel in hand of vingers voelt men vaak sterker dan
vóór de operatie, omdat de pijn immers weg is. Vaak verdwijnt
ook de doofheid, maar dat is nooit van tevoren te voorspellen. Ook verlammingsverschijnselen
verbeteren vaak na operatie, maar helaas niet altijd. Nekklachten kunnen
eveneens verdwijnen, maar over het algemeen heeft operatie daarop weinig
invloed. Nekpijn alleen (zonder verschijnselen van ruggenmerg of zenuwwortel-prikkeling)
is dan ook vrijwel nooit een reden om te opereren, ook al omdat daar andere
oorzaken aan ten grondslag kunnen liggen. De dag volgend op de operatie
mag de patiënt alweer opstaan, en als hij/zij voldoende is gemobiliseerd
volgt ontslag naar huis. Een specifieke nabehandeling is er niet; in de
meeste gevallen zal géén fysiotherapie worden voorgeschreven,
en een halskraag is slechts in bijzondere gevallen nodig. Het is voldoende
om de eerste 2 tot 3 weken kalm aan te doen, waarna de normale activiteiten
geleidelijk weer mogen worden hervat. Bij controle 6 weken na de operatie
wordt bekeken of fysiotherapie nog nodig is voor bijvoorbeeld gespannen
nek- of schouderspieren.
Recidief
In het algemeen is 80 tot 90% van de patiënten tevreden
met het resultaat na een nekherniaoperatie. Een recidief (ofwel het opnieuw
optreden van een hernia op dezelfde plaats) wordt bij een nekhernia vrijwel
nooit gezien. Wel kan een hernia op een ander niveau optreden. De aangrenzende
niveaus van een geopereerde nekhernia krijgen een wat hogere belasting
te verduren, zodat er een wat grotere kans is op het ontstaan van een
aangrenzende hernia.
|