Arbeidsongevallen > Arbeidsongeval sensu stricto (p2)

B. Beknopte analyse van de constitutieve elementen van een arbeidsongeval

1. ONGEVAL

Het begrip "ongeval" zelf werd niet nader in de wet omschreven. Met het oog op het aflijnen van de determinanten van een ongeval zou men zich eventueel kunnen baseren op het weerlegbaar vermoeden van ongeval: wanneer de getroffene of zijn rechthebbenden, benevens de realisatie van een letsel, het bestaan van een plotselinge gebeurtenis aantonen, wordt het letsel -behoudens tegenbewijs-vermoeden door een ongeval te zijn veroorzaakt. In de parlementaire voorberei-ding werd evenwel uitdrukkelijk gesteld dat het betrokken wetsartikel enkel een vermoeden invoert, zonder iets te zeggen over de inhoud van de notie ongeval.

Volgens een vaste cassatierechtspraak wordt het "ongeval" gedefinieerd als een plotselinge gebeurtenis, die een lichamelijk letsel veroorzaakt en waarvan de oorzaak of één van de oorzaken buiten het organisme van de getroffene ligt.

Plotselinge gebeurtenis

Een ongeval is steeds een plotselinge gebeurtenis. De twee aspecten die daarin vervat zitten -plots en gebeurtenis-, vergen een nadere toelichting.

Oorspronkelijk werd door de rechtspraak geëist dat de gebeurtenis een abnormaal karakter zou vertonen in vergelijking met de gewone, normale prestaties van de werknemer. Het is duidelijk dat een ongeval "uiteraard" een abnormale gebeurtenis is. Nu is het echter niet langer vereist dat die gebeurtenis een abnormaal karakter zou vertonen, zodat een normale inspanning die een letsel veroorzaakt , ook als een ongeval kan worden aangemerkt.

Het is bijzonder moeilijk de inhoud van het begrip "plotse gebeurtenis" te bepalen. Het grote aantal gepubliceerde vonnissen en arresten omtrent deze problematiek laat niet altijd even gemakkelijk toe daaruit de grote lijnen en algemeen te aanvaarden principes te distilleren. Vaak primeren de feitelijke omstandigheden en wij kunnen ons niet van de indruk ontdoen dat, hetzij een goede advocaat, hetzij de wil om een bepaalde toestand als arbeidsongeval te aanvaarden, soms meer doorslaggevend zijn dan louter juridische overwegingen en algemene beginselen.

Doorgaans wordt de plotse gebeurtenis gedefinieerd als een feit waarvan -uiteraard slechts naderhand- zowel de oorsprong als de datum met zekerheid te bepalen zijn en waarvan de duur zich beperkt tot een korte tijdsspanne. Wanneer we deze theoretische omschrijving toetsen aan de recente ontwikkelingen in de rechtspraak, dringen zich de volgende conclusies op.

Vooreerst kan worden vastgesteld dat de rechtspraak een vrij extensieve interpretatie van het plotse karakter van de gebeurtenis aanhoudt. "Plots" wil niet zeggen "ogenblikkelijk": wat betreft de duur van de plotse gebeurte-nis, wordt doorgaans één werkdag als het maximum beschouwd. "Plotseling" betekent ook niet noodzakelijk "eenmalig" en in tal van rechterlijke uitspra-ken wordt dan ook aangenomen dat opeenvolgende manipulaties en inspanningen de plotse gebeurtenis kunnen uitmaken, althans in zoverre zij zich binnen een relatief kort tijdsbestek situeren. Sommige vonnissen en arresten gaan daarin nog verder, door te aanvaarden dat de herhaalde inspanning die plots een overbelasting doet ontstaan, in casu de concrete plotselinge gebeurtenis uitmaakt.

Zeer markant in dit verband is het arrest van het Arbeidshof te Gent waarin werd aanvaard dat zelfs de handeling, bestaande uit scheppen van mortel, die reeds jaren door de betrokken metser werd uitgevoerd, een plotse overbelasting doet ontstaan, die het letsel -met name de polsdistorsie- deed ontstaan. Het Hof van Cassatie zag in deze motivering geen reden tot ver-nietiging. In de praktijk biedt deze erg ruime visie evenwel geen oplossing voor een aantal gevallen waarin het letsel de facto moet worden toegeschreven aan een langzame evolutie. Zelfs als zou worden aangenomen dat de laatste "fatale" handeling de plotse gebeurtenis uitmaakt, zal normalerwijze voor een aantal letsels, zoals bijvoorbeeld ontstekingen, het tegenbewijs kunnen worden geleverd dat die handeling niet van aard is om het desbetreffende letsel te veroorzaken. Dat ook deze medische evidentie kan worden omzeild, toont een vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel aan. Het gedurende de laatste arbeidsdag hanteren van een nietmachine, waarmee die dag ongeveer vierduizend nietjes werden geplaatst, vormt de plotselinge gebeurtenis aangezien hierdoor evenveel microtraumata van de nervus medianus werden veroorzaakt, die aan het einde van de dag in een ernstig letsel resulteerden.

Ten tweede moet worden opgemerkt dat er een toenemende tendens bestaat om binnen het element plotselinge gebeurtenis ook reeds een deel van de causali-teitsproblematiek op te nemen, door van de getroffene of zijn rechthebbende het bewijs te vragen van een plotse gebeurtenis die van aard is om het letsel te kunnen veroorzaken. Dit druist evenwel in tegen de regels inzake het bewijs. Ten slotte wordt in de rechtspraak vrij algemeen aanvaard dat de plotse gebeurtenis ook kan besloten liggen in de uitoefening van de normale dagtaak, maar wel wordt geëist dat een speciaal element aanwijsbaar is. Een bijkomende nuance bestaat erin dat dit element zich niet dient te onderscheiden van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Een dergelijk bijzonder element kan gelegen zijn in het feit dat van de getroffene zware fysieke inspanningen werden gevergd, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met de weersom-standigheden, de tijdsdruk. Een grotere terughoudendheid bestaat er jegens het in aanmerking nemen van stresstoestanden als de plotselinge gebeurtenis, hetgeen doorgaans het zwaartepunt vormt in de discussie omtrent hartaanvallen. In het verlengde hiervan situeert zich de problematiek omtrent de bruuske beweging. Meer bepaald rijst de vraag of ook een banale handeling -zoals zich bukken, gaan zitten, opstaan, . . . - de vereiste plotse gebeurtenis kan uit-maken. Er moet worden vastgesteld dat dergelijke bewegingen in de recht-spraak doorgaans inderdaad als de plotse gebeurtenis worden aanvaard; het is voldoende dat het letsel zonder die beweging niet zou zi n opgetreden. Vaak zijn de daaruit voortvloeiende knie- en rugletsels in feite het gevolg van een langzame evolutie en niet noodzakelijk van professionele oorsprong, maar -gelet op het causaliteitsvermoeden- zal het aan de arbeidsongevallenverzekeraar toekomen de afwezigheid van oorzakelijk verband te bewijzen .

Volledigheidshalve kan erop worden gewezen dat die plotselinge gebeurtenis niet mag worden verward met het plotseling voelen van pijn, zoals bijvoorbeeld naar aanleiding van een hartinfarct of een hernia. Omgekeerd is een plots letsel niet vereist.

Die een (lichamelijk) letsel veroorzaakt

De wettelijke notie "letsel" reikt vrij ver. Het adjectief "lichamelijk" werd in het wetsontwerp van de wet van 10 april 1971 weggelaten om een te enge interpretatie van het begrip arbeidsongeval te vermijden. Het gaat om een aantasting van 'de lichamelijke -en eventueel ook van de geestelijke- integriteit van de werknemer, voor zover dit zogenaamde letsel kosten (medische, farmaceutische en/ of prothesekosten) meebrengt of resulteert in een arbeids-ongeschiktheid of de dood van de getroffene. Het is precies die letselschade die zal worden vergoed. Sedert de cassariearresten BLANCKAERT en LOUSBERG, die hebben geleid tot de aanpassing van de Arbeidsongevallenwet, is er geen betwisting meer mogelijk dat ook schade aan voorafbestaande prothesen voor vergoeding in aanmerking komt, zonder dat een letsel werd opgelopen.

Ook het feit dat een bril moet worden aangezien als een prothese in de zin van de Arbeidsongevallenwet, lijkt buiten kijf te staan. Rest evenwel de vraag of de betrokken prothese op het ogenblik van het ongeval ook effectief diende te worden gedragen. Opmerkelijk is dat de rechtspraak op dit punt een zeer grote soepelheid aan de dag legt, door te beslissen dat een bril zijn karakter van prothese niet verliest, wanneer deze om welke reden ook even werd afgezet.

De letsels moeten door een plotselinge gebeurtenis worden veroorzaakt.

Waarvan de oorzaak of één van de oorzaken buiten het organisme van de getroffene ligt

In de wet zelf wordt nergens het vereiste van uitwendigheid van de oorzaak vooropgesteld, daar waar dit element nochtans als een constante in de door de rechtspraak gehanteerde definitie van het "ongeval" terugkeert. Ook in de rechtsleer zijn er bepaalde juristen die dit element als een (vierde) con-stitutief bestanddeel van het arbeidsongeval beschouwen.

Er bestaat nog steeds geen volledige klaarheid in deze juridische polemiek die evenwel enkel vanuit rechtstheoretisch oogpunt relevant is. Voor de praktijk is vooral van belang dat het slachtoffer niet langer het bewijs moet leveren van die uitwendige oorzaak, dit in tegenstelling tot de wet van 1903. Feite-lijk ligt dit element in het verlengde van de eis dat het ongeval door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst moet ontstaan.

Dit veronderstelt immers de interactie van ten minste één oorzaak vreemd aan het gestel van de getroffene.

Als een letsel twee (of meer) oorzaken heeft, en slechts één ervan verband houdt met de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, is dit voldoende om het ongeval als arbeidsongeval te kwalificeren. Dit noemt men de equivalentie-leer, die evenzo door het Hof van Cassatie wordt toegepast. Concreet betekent dit ook dat het arbeidsongeval niet wordt uitgesloten door de aanwezigheid van een inwendige factor, indien een uitwendige factor tot het ontstaan van het letsel heeft bijgedragen.

Die equivalentieleer hangt nauw samen met de discussie omtrent de voorbeschikt-heid van het slachtoffer. Principieel dient de schade in haar geheel te worden beoordeeld, zonder de voorbeschiktheid van de getroffene -d.i. zijn vroeger reeds bestaande ziekelijke toestand- in aanmerking te nemen, (en) voor zover het ongeval ten minste voor een deel de oorzaak is van de arbeidsongeschikt-heid. In geval van overlijden is het voldoende dat het ongeval de dood van een voorheen ziekelijke persoon heeft beïnvloed, vergemakkelijkt of verhaast.

Dit kan het best worden geïllustreerd aan de hand van het volgende voorbeeld: een werknemer met een aangeboren hartafwijking sterft bij een bepaalde kracht-inspanning op het werk. Er zijn twee oorzaken voor zijn dood: de hartafwij-king en de krachtinspanning. Alleen die laatste houdt verband met de uitvoe-ring van de arbeidsovereenkomst, hetgeen kan volstaan om van een arbeids-ongeval te kunnen spreken.

2. ARBEIDSONGEVAL

Opdat er sprake zou zijn van een arbeidsongeval, is het vereist dat de plotse-linge gebeurtenis die het ongeval determineert, voorvalt tijdens en door de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Talrijke problemen in de rechtspraak betreffen de relatie tussen het ongeval en de arbeid. Of er al dan niet een verband met de arbeid bestaat, hangt af van de feiten en de appreciatie daarvan.

De bewoordingen "tijdens" de uitvoering van de arbeidsovereenkomst en "door" de uitvoering van de arbeidsovereenkomst hebben een verschillende draagwijdte.

Tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst

Zo nog geen arbeidsovereenkomst is tot stand gekomen of indien de arbeids-relatie werd beëindigd, is het evident dat het ongeval niet beantwoordt aan de vereiste dat het moet gebeurd zijn tijdens de uitvoering van de arbeids-overeenkomst.

In de optiek van het Hof van Cassatie heeft men te maken met een ongeval overkomen tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, wanneer de werk-nemer op het ogenblik van het ongeval onder het gezag van de werkgever staat. De rechtspraak hangt een zeer ruime interpretatie van deze uitdrukking aan. Het is noodzakelijk, maar tevens voldoende dat de getroffene zich op het ogenblik van het ongeval - effectief of virtueel - onder patronaat gezag bevindt, en dit zowel wat de tijd als wat de plaats betreft.

In zoverre de arbeid normaal op een welbepaalde plaats wordt verricht, zal er doorgaans weinig of geen discussie bestaan over het feit dat ter plaatse de werkgever over het vereiste mogelijkheid tot gezagsuitoefening beschikt. Enkel het juiste tijdstip waarop de uitvoering van de arbeidsovereenkomst een aanvang heeft genomen, kan aanleiding geven tot betwisting.

Moeilijker wordt het om de notie "tijdens de uitvoering van de arbeidsovereen-komst" in te vullen ten aanzien van personen wier activiteit, ofwel niet duidelijk in de tijd te situeren is, bijvoorbeeld huisbewaarders, ofwel zich afspeelt op verschillende plaatsen of zelfs de openbare weg, bijvoorbeeld handelsvertegenwoordigers en taxi - of vrachtwagenchauffeurs. Vaak betreft het een feitenkwestie waarin moet worden uitgemaakt of de betrokkene al dan niet (nog) onder patronaat gezag stond.

Gezag bestaat ook tijdens handelingen die geen eigenlijke arbeidsprestaties uitmaken, maar die verband houden met de uitvoering van de arbeidsovereenkomst en die verricht werden omwille van het gebruik, de wellevendheid tussen partijen of het nut dat ze voor de werknemer en de werkgever hebben. Zo worden bijvoorbeeld bedrijfsfeestjes en -recepties geacht te kaderen in de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, zij het dat als marginale toetsingsgrond rekening wordt gehouden met de duurtijd en het min of meer officiële karakter ervan. De kwalificatie van sportmanifestaties lijkt minder eenvoudig te liggen. Het hangt vaak af van details of het "sportongeval" al dan niet als arbeidsongeval zal worden aanvaard.

Daar waar bij ongeval tijdens de rusttijd, vooral tijdens de middagpauze, die wordt doorgebracht op de normale arbeidsplaats, in het algemeen wordt aange-nomen dat het gebeurd is tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, waardoor het vermoeden van arbeidsongeval uitwerking vindt, bestaat er minder eensgezindheid omtrent de kwalificatie als arbeidsongeval van het ongeval dat zich voordoet tijdens de nachtrust van inslapend personeel. Vergelijkbaar is de toestand van werknemers op zending, die geacht worden de ganse duur tijdens de uitvoering van hun arbeidsovereenkomst te handelen, versus de situatie van personen die slechts permanent bereikbaar moeten zijn en waarvan wordt gesteld dat zij, eens buiten het bedrijf, niet langer onder het gezag van hun werkgever staan.

Een laatste probleemcategorie bestaat uit de ongevallen tijdens een periode van schorsing van de arbeidsovereenkomst. Wordt -niettegenstaande de schorsing en het daaraan gerelateerde recht om de bedongen arbeid niet te verrichten -toch arbeid gepresteerd, zelfs al was die niet toegelaten, dan primeert de feitelijke toestand op de juridische duiding. In analoge zin wordt ook aangenomen dat, indien in voorkomend geval niettemin bepaalde verplichtingen worden vervuld die verband houden met de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, de schorsing de toepassing van de Arbeidsongevallenwet niet in de weg staat.

Door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst

De voorwaarde "door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst" vormt een elementair bestanddeel van het "arbeidsongeval". De wet vereist niet dat er een band bestaat met het leveren van arbeidspres-taties als zodanig; het volstaat dat een verband kan worden gelegd met de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, hoe gering die band ook is.

Volgens de parlementaire voorbereiding van de wet van 1903 is een arbeids-ongeval overkomen door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, als het ongeval het gevolg is van een oorzaak die onafscheidelijk is van die uitvoering, m.a.w. wanneer het in verband staat met om het even welke omstan-digheid die betrekking heeft, hetzij op de activiteit zelf van de werknemer, of op deze van de andere personeelsleden, hetzij op het industrieel of het professioneel milieu waarin het slachtoffer zich geplaatst ziet door zijn contract. Simonne DAVID poneerde ter zake dat de band van samenhang tussen het ongeval en de uitvoering van de arbeidsovereenkomst moet worden geacht in voldoende mate aanwezig te zijn, van zodra het ongeval de realisatie is van een risico waaraan het slachtoffer is blootgesteld, hetzij uit hoofde van zijn beroepsactiviteit, hetzij met inachtname van het technisch of menselijk milieu waarin hij geplaatst is.

Betwistingen rijzen meestal niet, voor zover het ongeval het directe gevolg is van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Veelvuldig zijn evenwel de ongevallen die slechts een "indirect" verband met de uitvoering van de arbeid vertonen. Zo heeft zich in de loop der jaren een rijke rechtspraak ontwikkeld rond praktische toepassingen inzake vechtpartijen, spel, moord, zelfmoord, daden van moed en zelfopoffering, dronkenschap...

Volledigheidshalve behoort ook het geval van OVERMACHT te worden behandeld. Indien de oorzaak van het ongeval vreemd is aan de natuurlijke of de profes-sionele omgeving van het slachtoffer, vindt de arbeidsongevallenregeling geen toepassing en moet de getroffene zijn vordering steunen op het gemeen recht. Toepassingen van dit principe die in de rechtspraak en de rechtsleer worden geciteerd, zijn: een ontploffing in een naburige fabriek, het neerstorten van een vliegtuig op de werkruimten, de inslaande bliksem, een wespensteek, oorlogsfeiten, enzovoort.

Als de uitvoering van de arbeidsovereenkomst evenwel in verband staat met een vreemde oorzaak of mogelijk maakt dat een vreemd feit zich voordoet of de risico's hiervan vergroot, kan de regeling inzake arbeidsongevallen toch toepasselijk worden verklaard. Hic et nunc geldt als stelregel dat een ongeval dat door overmacht veroorzaakt is, moet worden beschouwd als overkomen door het 'feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, wanneer het ongeval het gevolg is van de verwezenlijking van het risico, waaraan de getroffene blootgesteld is omwille van zijn beroepsbezigheden, of omwille van het natuur-lijk technisch of menselijk milieu waarin hij zich bevindt.